Een aantal artikelen uit 'De Kakelepost' : tweemaandelijks verenigingsblad van de Historische Vereniging Schagen en Omstreken,
ISSN 0928-6683 (1998)
deel 1
deel 2
deel 3
deel 4
bijlage
auteur Fred Timmer (1946-)
|
Deel 1:De beruchte Jan van Stipriaan is dood.
‘Heeden Namiddag ten 3 uuren is alhier int Waepen van Engeland in de Nes, overleeden den Berugten Jan van Stpriaan,
geweesene Bailliuw van Schagen.’
Zo begint een kort en in der haast geschreven briefje dat ene Anthony Kok op 27 juli 1796 stuurt naar
Cornelis Barsingerhorn die dan president van de municipaliteit (d.w.z. burgemeester) van Schagen is.
Hij verzoekt Barsingerhorn het bericht vooral ook door te geven aan de andere leden van het college.
Een paar weken daarvoor - om precies te zijn op 12 juli 1796 - had Kok Jan van Stipriaan gezien en
gesproken in het logement Het Wapen van Engeland aan de Nes in Amsterdam. Zonder aarzelen had
Kok het feit gemeld aan de Schager municipaliteit met het aanbod voor verdere berichtgeving zorg te
dragen, mits dit voor hem geen kosten met zich mee zou brengen.
Beide briefjes zijn- heel uitzonderlijk - in het oud-archief van de gemeente Schagen bewaard gebleven.
Uit het vroegst gedateerde briefje komen we meer over Anthony Kok te weten. Hij blijkt werkzaam te
zijn als suppoost bij de Stadsbank van Lening, gevestigd in de Nes, en woont slechts een paar honderd
meter van zijn werk: namelijk ook in de Nes, op de hoek van de Hal en de Nes. Tot zover speelt het
hele verhaal zich af in één Amsterdamse straat en dankzij het feit dat het gebouw van de Bank van
Lening nog steeds in de Nes staat, is het verhaal ook vrij nauwkeurig in die straat te plaatsen.
Volgens het Amsterdamse ondertrouwregister was Anthony Kok ‘van Amsterdam’, d.w.z.
Amsterdammer van geboorte en woonde hij bij zijn huwelijk in 1776 in het pand aan de Nes samen met
zijn vader.
Toch moet hij een band met Schagen hebben gehad, want hoe kon hij anders Jan van Stipriaan
kennen of herkennen en bovendien kondigde hij in het eerder genoemde briefje aan het
gemeentebestuur binnen korte tijd persoonlijk te zullen spreken. Blijkbaar zou hij binnen niet al te lange
tijd naar Schagen komen. Gezien de inspanning in tijd en in geld die een reis van Amsterdam naar
Schagen en terug vergde, was dat zeker niet alleen om te melden dat hij Jan van Stipriaan had gezien.
Al met al roepen deze twee briefjes nogal wat vragen op. In Schagen waren de ambten van baljuw en
schout in een persoon verenigd. De baljuw/schout was een gezagsdrager en daardoor een belangrijk
en invloedrijk persoon. Wie was - in dit licht gezien - deze Jan van Stipriaan? Waarom wordt hij in zijn
doodsbericht ‘berucht’ genoemd? En waarom eindigt hij zijn leven - als vreemdeling - in een logement
in Amsterdam.
Van Stipriaan is geen Schagenaar van geboorte. Hij blijkt rond 1731 te Leiden geboren te zijn. In 1762
duikt hij op in de Schager boeken als hij op 14 september van dat jaar in ondertrouw gaat. Hij is dan
secretaris van Barsingerhorn. Vijf dagen later, op 19 september volgt ondertrouw voor de kerk. Op 7
oktober 1762 wordt in Rijswijk zijn huwelijk voltrokken met Zara Petronella Uijttenbogaart. Zij is even
oud en afkomstig uit Langeraar, maar woonachtig in Rijnsaterwoude. Beide dorpjes liggen in de buurt
van Leiden. Met Zara komen ook haar beide zusters en ene Anna van Rooijen naar Schagen.
Het paar krijgt hier zes kinderen - drie jongens en drie meisjes - waarvan er twee jong sterven.
Uit alles blijkt dat Van Stipriaan bij zijn huwelijk al redelijk bemiddeld was. Zowel bij zijn huwelijk als bij
de begrafenis van zijn twee jonggestorven kinderen betaalt hij aan impost f 15,-, het op een na hoogste
tarief.
De DTB-boeken van Schagen geven over het gezin Van Stipriaan met betrekking tot de kinderen de
volgende informatie:
- Leendert Hermanus van Stipriaan, gedoopt te Schagen 16.10.1763 (NH), doopgetuigen Agatha
Koppes en Hermanus van Stipriaan. lidmaat 3.3.1785, vertrokken naar Callantsoog 7.4.1765 (NH).
Leendert is vernoemd naar zijn grootvader en zijn oom Hermanus die danook voor de doopplechtigheid
was overgekomen.
- Daniel van Stipriaan, gedoopt te Schagen 7.4.1765 (NH), doopgetuigen Anna van Rooijen en Maria
Catharina Uijttenboogaart, begraven te Schagen 23.2.1778. Impost op begraven 2e klasse f 15,-. Daniel
was dus 13 jaar oud!
- Jan Petrus van Stipriaan, gedoopt te Schagen 28. 2.1766 (NH), belijdenis afgelegd te Schagen
3.3.1778.
- Maria Catharina van Stipriaan, gedoopt te Schagen 13.9.1767 (NH), doopgetuigen Maria van
Rooijen en Maria Catharina Uijttenboogaart.
- Willemina Maria van Stipriaan, gedoopt te Haringhuizen door ds. Predikant te Schagen 25.6.1769
(NH), doopgetuigen Maria Hillgonda van Beest en Willem Gosewijn Frank.
- Rebecka Sara van Stipriaan, gedoopt te Schagen 16.9.1770 (NH), overleden en begraven aldaar
18.2.1773. Impost op begraven 2e klasse f 15,-. Rebecka was dus een kleuter van 3 jaar toen ze stierf.
Baljuw en schout
Zowel de baljuw als de schout waren de direkte vertegenwoordiger van recht en wet. Ze werden
benoemd door diegene die het gezag bekleedde: de graaf van Holland en in een vrije en hoge
heerlijkheid zoals Schagen, door de heer. Elke schout diende tegenover een hogere overheid de zgn. ‘
eed op de schoutenban‘ af te leggen. Deze eed hing samen met de funktie van (hulp-)officier van
justitie die de schout ook vervulde.
De baljuwschappen waren oorspronkelijk te vergelijken met districten en omvatten een veel groter
gebied dan de banne, het rechtsgebied waarover de schout waakte.
In de heerlijkheid Schagen waren baljuw en schout in één persoon verenigd. Aangezien de heerlijkheid
een zogenaamde ‘hoge’ heerlijkheid was, waarbij lage, middel en hoge jurisdictie - dus de volledige
rechtspraak - in handen van de heer lag, was de schout/baljuw verantwoordelijk voor alle vormen van
rechtspraak, vanaf geringe boetes tot allerlei lijfstraffen en de doodstraf.
Zoals onder het grafelijk bestuur diverse ambten werden verpacht, zo verpachtten de heren en vrouwen
van Schagen het baljuw- en schoutsambt. Hoe de selectie van de kandidaten verliep is volledig
onbekend, informatie begint steevast bij de benoeming.
De schout was ter plaatse een belangrijke vertegenwoordiger van de heer van Schagen. Door de aard
van zijn funktie genoot de schout niet alleen aanzien, maar had hij ook en vooral macht. De gewone
burger in een eind-achttiende-eeuwse samenleving als Schagen hield de schout liever te vriend. De
rentmeester beheerde weliswaar namens de heer zijn bezittingen, maar de schout was zijn
rechtstreekse vertegenwoordiger bij het stadsbestuur. De schout was betrokken bij alles wat met recht
en wet te maken had. Samen met de schepenen stelde hij de keuren en andere verordeningen vast, de
schout spande de vierschaar (het plaatselijke gerecht), waarbij hij het onderzoek naar de overtreding of
misdaad uitvoerde, de aanklacht indiende en - na de vonnislegging door de vierschaar - dit vonnis ten
uitvoer bracht.
Aangezien het echter een verpachte funktie was, diende de schout jaarlijks rekening en verantwoording
af te leggen tegenover de rentmeester van de heer. Daarbij kwam echter vrijwel alleen de financiële
kant aan de orde: de schout diende de meer-opbrengst uit zijn ambt te verantwoorden en zo nodig af te
dragen.
In het zogenaamde Heerlijkheidsarchief bevinden zich diverse stukken die handelen over het
schoutsambt te Schagen. Ook Jan van Stipriaan is vertegenwoordigd; er zijn zelfs opvallend veel
stukken van en over hem aanwezig. Niet alleen de ‘akte van instructie’ is aanwezig, maar er zijn - en
dat is heel uitzonderlijk! - ook stukken betreffende beschuldigingen, ingebracht tegen ‘Jan van
Stipriaan, baljuw en schout van Schagen’.
Dergelijke stukken zijn heel bijzonder, omdat ze onder ede
werden afgelegd voor minimaal twee schepenen en de klagers zich daardoor publiekelijk bekend
maakten. De schout had in de kleine, tamelijk gesloten gemeenschappen grote macht en er was dus
durf voor nodig om een dergelijke verklaring af te leggen. Als we, nieuwsgierig geworden, wat
nauwkeuriger verder zoeken, blijkt er in het ‘Registre de droits et biens de la maison de Schagen’ ook
het een en ander vermeld te staan. Bovendien blijkt een deel van Van Stipriaans correspondentie met
de rentmeester terug te vinden in de zoogenaamde ‘ Bijlagen tot de rekeningen van de heerlijkheid
Schagen’. Al met al een hoogst-interessant en bijzonder pakket aan archiefmateriaal.
De benoeming van Jan van Stipriaan
Jan van Stipriaan is veertig jaar oud als hij op 19 oktober 1771 wordt benoemd tot schout en baljuw van
Schagen. Hij is dan al zeker vanaf 1662 secretaris van Barsingerhorn, woonachtig in Schagen, en door
zijn secretarisambt geen onbekende van de rentmeester. Wellicht heeft dit een rol gespeeld bij zijn
promotie tot schout. We weten daar echter niets van, want er is geen spoor van mededingers of van
een procedure, of het zou al de vrij amicale toon van de correspondentie met de rentmeester moeten
zijn.
Volgens de ‘akte van instructie’ - die zelfs tweemaal in het Heerlijkheidsarchief bewaard is gebleven -
pacht Van Stipriaan het schoutsambt voor 350 gulden per jaar, waarbij hij niets van de inkomsten hoeft
af te dragen. Alleen van de strandvonderij, die ook tot zijn ambt behoort, dient hij de opbrengst boven
de 500 gulden af tedragen. Bovendien woont hij voor niets in het schoutshuis, dat zich naast de
voorpoort van het kasteel bevindt. We moeten dan waarschijnlijk denken aan een huis op de plaats
waar nu café “Het oude slot” staat.
Van Stipriaan moet redelijk bemiddeld zijn geweest. Op 14 september 1770 - dus nog voor zijn
benoeming tot schout - koopt hij in de Zijpe “de Hofstede Buitenlust met desselfs Heere-, Boere- en
tuinmanshuizinge en stallinge en bepotinge en landerijen”. De hofstede was eerder bekend onder de
naam “Het Steene Huijs” en was gelegen aan de westelijke zijde van de kruising van de Middel
Egalementslot en de Keinsmerweg. Alhoewel er in latere beschrijvingen sprake is van een gewone
boerderij, blijkt uit de beschrijving uit 1826 zoals Dekker die geeft duidelijk dat we te maken hebben met
een buitenplaats, zoals er in de Zijpe meer te vinden waren:
| Behuizing en stalling,op en erf van | 4.010 | m2 |
| Tuin, tussen de behuizing en de Middel Egalementsloot | 2.530 | m2 |
| Aanleg tot vermaak (een lusttuin), omgeven door een singel
tussen genoemde tuin en de Keinsmerweg | 8.290 | m2 |
| Idem, verdwenen in 1829, westeljk van de behuizing
en langs de Keinsmerweg | 25.960 | m2 |
| Koepel, eveneens in 1829 niet meer aanwezig, in deze
lusttuin, aan de Keinsmerweg | 30 | m2 |
| Smalle bosschage, als uitloper van het zuidelijke deel
van dezelfde lusttuin, in de richting van de Bosweg | 2.170 | m2 |
| Bos, tegen de Bosweg, als westelijke afsluiting van het goed | 16.490 | m2 |
| De eigenlijke buitenplaats besloeg in 1826 | 59.480 | m2 |
| De landerijen, tussen Middel Egalementsloot en Belkmerweg
en tussen deze sloot en de Bosweg hadden een grootte van | 214.530 | m2 |
| Het totale landgoed besloeg: | 274.010 | m2 |
Jan van Stipriaan kocht deze Zijper buitenplaats voor 4.100 gulden. In de transportakte wordt hij
omschreven als ‘ den Wel Edelen Heer Jan van Stipriaen, Bailluw der Steede en Vrije Heerlijkheijt
Spanbroek etc. etc.’. De omschrijving luidt als volgt: ‘Een Hofsteede genaamd Buijtenlust, met desselfs
Heeren-, Boeren- en Thuijnmanshuijsinge, stallinge, bepooting en beplanting, met de landerijen daer bij
behoorende, tesamen groot in t geheel omtrent 35 morgen, staende en gelegen in de polders O en T,
nabij het Zand in de Zijpe.........”. Waarschijnlijk heeft Van Stipriaan de Zijper buitenplaats gekocht als
geldbelegging, want amper vijf jaar later, in 1775, verkocht hij zijn bezit aan Dirk Mol, burgemeester van
Medemblik, voor de prijs van 5.575 gulden.
De financiële handel en wandel van Jan van Stipriaan
Uit de Heerlijkheidsrekening van 1780 blijkt bovendien dat Van Stipriaan vanaf 1775 niet één, maar vier
huizen, behorende tot de heerlijkheid, op zijn naam heeft staan en nog geen cent huishuur heeft
betaald.
Ui een memorie over het financieel beheer van Jan van Stipriaan uit 1782, kennelijk samengesteld door
de rentmeester, blijkt dat de baljuw ver op achter is met het verantwoorden van zijn boekhouding: zijn
‘laatstverschenen’ - dat wil zeggen: ter controle overgelegde - rekening is gedateerd 1773. Hij loopt dan
dus al 8 jaar achter.
Zonder dat bekend is vanaf wanneer, blijkt uit de ‘akte van instructie’ dat Van Stipriaan ook
onderhoutvester, strandvonder, stadhouder, griffier van de heerlijke lenen en secretaris van Burghorn
is. Bovendien blijkt uit een aparte aanstellingsacte, die in concept in het Heerlijkheidsarchief aanwezig
is, dat hij in januari 1777 het pluimgraafchap van West-Friesland, Texel en Wieringen in pacht krijgt; de
pachtsom wordt niet genoemd.
Uit financieel oogpunt is met name het secretarisambt van Burghorn interessant, omdat aan dit ambt de
inning van gemenelandsmiddelen is verbonden: voor de Burghorn was Van Stipriaan schot- en
verpondinggaarder, waarvoor hij geen verantwoording schuldig was aan de heer van Schagen, maar
jaarlijks rekening moest doen voor de Gecommitteerde Raden van het Noorderkwartier.
In het vervolg van dit verhaal zullen we Van Stipriaans handel en wandel te Schagen trachten te
reconstrueren om zodoende een antwoord te vinden op de in de inleiding gestelde vragen.
deel 2
|
|