|
Geliefde vader, wilt aanhoren,
Mijn wensch tot u gericht.
Ik weet, mijn stijl kan niet bekooren,
Want het valt mijn gans niet licht.
Voor mijn kennis, een wensch te spreken,
Hetgeen ik voor het eerst volbreng.
Maar het hart voel ik in gloed ontsteken,
Door liefde en dank gevormd.
Deez waar op wij ons verblijden,
Als u geboortedag.
Wilt de uw trouwe schepper wijden,
Die u zoo rijk voorzag.
Van rozen op uw levenspaden,
En u met liefde leidt.
O, toont dan nu door woord en daden
Dat gij Hem dankbaar zijt.
Reeds negenenvijftig jaren levens
Schonk u de Algoede God
Lust, kracht, gezondheid hier benevens
En een voorspoedig lot.
Of schonk hij u geen trouwe gade?
Op uwe levensbaan
Die u hielp dragen het schijnbaar kwade
Op ’s werelds donkere paân
Drie kinderen uit uw echt ontsproten,
Die allen nog bestaan,
Die komen uw geluk vergrooten,
Prijs dus uw ’s Heeren naâm.
Reeds allen in den echt verbonden
Staat het dubbele tal gereed
’s Heeren zegen u verkonden
Door Hem aan u besteed.
Wel mocht het mijn vrouw nu niet gebeuren,
Mee op te gaan naar het feest
Maar dat geeft nog gen stof tot treuren
Dat is meer toch zoo geweest
En daar het bijzijn uwer broeder
U dit gemis vergoed,
Dank daar: Gij Vader, mijn behoeder
Gij trouwe God zijt goed.
Uw nageslacht moogt ge aanschouwen
Verheugd zien zij u aan
En komen blij en vol vertrouwen
Tot U, hun grootva aan
Gevoel voor zooveel zegeningen
Gevoel voor zooveel gooed
Doe Jezus leer u ’t hart doordringen
Beziele uw gemoed
Dat ’s Heeren gunst u saam gelleiden
Uw verdere levenstijs
Dat is mijn wensch, die ik u beiden
Van gansche harte wijd
Mocht Hij nog lang zijn zegen u geven
Bij voorspoed, waar geluk,
Maar wilt dan dankbbaar voor Hem leven,
Die u bevrijd van druk
En mocht u soms Zijn druk eens treffen,
Zend Hij soms leed of trouw
Wilt dan volmoedig, diep beseffen
Gij Vader, Gij zijt trouw
Wij, toch geneigd tot plichtverzaking
Bij voorspoed en bij vreugd,
Wekt Hij door lijden os volmaking
En wekt ons op tot deugd.
En mocht uw laatste stond eens naken
O, wees dan steeds bereidt,
Wilt vurig bidden, immer waken
Door Christus geest geleidt
Dat wij allen onder ’t aards gewemel
Naar de Evangeie blaân
Ons mogen vormen voor de Hemel
En die eens binnen gaan.
Ter gelegenheid van de 35 jarigen Echtvereniging van mijn ouders, Arien Wit en Neeltje
Groenveld op 26 december 1866
Geliefde oders laat ons zaâm herdenken
Het heil dat door deez dag ons thans moogt schenken
Hetgeen wij thans vieren met verrukten geest
Op dezen dag van dubbel heuggelijk feest.
Want vijf en dertig jaar is ’t thans geleden
Dat gij saâm in het huweijk zijt getreden
Verblijd u dus te zaâmin uwen God
Want steeds met liefde bestuurde hij uw lot.
Zou ik thans alle zeegeningen tellen
Die Hij u schonk? Neen ’t harte moet u zwellen
Van liefde en dank, wanneer gij zelf bedenkt
Wat Hij u schonk en nu nog dagelijks schenkt.
Ook wij, uw kinderen deelen in die zegen
Ook ons straalt ’s Heeren goedheid dagelijks tegen
Ook ons pas dankbare liefde jegens God
Voor zooveel gunst,voor zulk een heilrijk lot
Neem dierbare ouders un uit onze handen
Dit liefdesblijk* van dankbare liefdespanden
En allen voegen wij de wensch hierbij
Dat deez’ u zaâm nog lang ten dienste zij
Maar grooter heil wou God nog aan ons schenken
’t Geen wij op deez’n dag van dubbel feest herdenken,
Het hemels licht, Zijn veel geliefde Zoon
Zond Hij ons toe, als toegang tot zijn troon
Betoonen wij ons dan zooveel liefde waardig
En houden wij het hart bereid en vaardig
Tot Zijnen dienst, opdat wat ons ook beidt
Wij veilig zijn, steeds door zijn hand geleidt.
Heeft de aardsche lamp voor ons dan niet meer waarde
En worden we opgeescht van deze aarde
O, dat dan ’s Hemelsch lamp steeds voor u schijn
En wij, gelukkig eindeloos zalig zijn.
(* Een staande peteroleumlamp, ter vervanging van een lamp gestookt met patentolie)
Aan mijn moeder Neeltje Groenveld op haar 56steverjaardag, 29 februari 1868
Laat ons samen nu bedenken
Welk een heil en zegening
Deze dag ons thans moogt schenken
In ons dierbare vriendenkring
Eens toch in een viertal jaren
Mogen wij het heil ervaren
Dat deez’dag steeds wederkeert
En ons met dit feest vereert
Met dit feest, geliefde moeder
Veertien maal door u beleeft
Dat ons toont hoe de Albehoeder
Steeds aan ons zijn zegen geeft
Mocht gij al scaars deez’dag ervaren
Toch reeds zes en vijftig jaaren
Zijn al reeds door u beleefd
’t Geen ons stof tot blijdschap geeft
Trof u ons in kinderdoeken daagen
Ziekte, smart of zielsverdriet
Uwe echtvriend mocht u schragen
God is ’t die steeds hulpe biedt
Hij toch schonk uw man de krachten
U het leiden te verzachten
En zijn woord dat steeds voldeed
Schonk u troost bij zieleleed
En werd niet in later jaren
Vreugd en voorspoed vaak uw deel
Dierbaren vrienden zaâgt gij sparen
Man en kroost in zijn geheel
Het drietal, eenmaal u beschoren
Tot, een zestal reeds herboren
Met een zestal krooost verblijd<
Schenkt u vreugd, door hoop geleid<
Hoop, ja doet verder leven
Dat gij voortaan nog geniet
U meer heil en vreugd mag geven
Is mijn wensch, die ik u biedt
Dat gaan enkele uwer takken
Moog’verdorren of verzwakken
Maar de wensch* zoo lang begeert
Blij vervuld wordt, ongedeerd
Maar mocht ik teveel verwachten,
Is mijn dierbare hartewensch
Steed in strijd met Gods gedachten
Denk als ik: wij zijn slechts mensch
Zou de Vader zijner kinderen
Zonder doel hun vreugd verminderen
Neen, de smarte ons bereid
Vormt ons steeds voor de Eeuwigheid
Dat we alzoo Gods wil betrachten
Met verstand en met het hart,
Met de ziel en gansche krachten
Zo in voorspeod als in smart
Maar dan ook ons medemenschen
Zoo te doen, gelijk wij wenschen
Dat ons zelven steeds geschied,
Dan doen we al wat hij gebiedt.
Zoo geleefd, en de Albehoeder
Schenkt ons een vernieuwde geest
En wij vieren dierbare Moeder
Waardig uw verjaardagsfeest,
Dat wij dan het kwaad verzaken
En in liefde ons volmaken
Tot ons sterfuur steeds bereid
Heer, schenk ons die zaligheid
(* De geboorte van een eerste spruit, mijn zuster ???)
Aan mijn vader Arie Wit op zijn 65steverjaardag 23 Febr. 1872.
Komt laat ons nu te saam, deez’blijde dag herdenken,
Deez’dag, die U en ons te saam, deez’blijde dag herdenken
Geliefde vader, die zoo u dit feest verkond
Nu vijfmaal dertien jaar beleeftin deze stond
En in die lange reeks van vijfenzestig jaren
Gods gunst genieten mocht er nog steeds moogt ervaren
Door ouders, zusters, broers, gâ, kroost en nageslacht
Geëerd, geliefd, bemint en immer hoog geacht.
Die schets word al te mooi, die kleuren overdreven,
Zoo denkt gij nu wellicht. Is dan geheel mijn leven
Een rozenpad gelijk? Neen, menig diepe wond
Die ik reeds als kind, en later ondervond.
Maar wie behandeld ooit een pad van enkel rozen?
Neen, hij die dat verwacht, moet bij misrekening blozen
Bezie slechts van nabij, ’t onhoudbare van die wensch
En denkt aan ’t doornig pad van menig medemensch
Volmaakt geluk uw deel, neen ik wil dat iet beâmen
Maar zien wij veler lot, wij zeggen al te samen
Gij zijt benijdenswaard, roem vrij in uwen God,
Bij zooveel kracht en lust, bij zulk een heilreik lot
Lijkt menigeens gestel en bron van troebel water
Het uwe schijnt een beek, met kabbelend golfgeklater
Is menig levensweg een doornenpad gelijk,
Het uwe telt ze schaars, en is aan bloemen rijk.
Want hoeveel weldaân kon ik ter neder schrijven
Maar ik deed het zes jaar leên en laat het nu dus blijven
Wel trof u na dien tijd een dubbel zware slag,
En jeugdig loot ontviel, die na aan ’t harte lag
En na dien tijd, ’t gemis van uw geliefde gade,
Die nu haast vier jaar leên mijn heilwensch overbracht
Maar die helaas voor ’t laatst die maandag herdacht.
Maar is ’t geen vaste wel, die oud vergrijst moôg sterven
Moet die niet menigmaal, vriend, krootdt of gade derven
De dood, de zijnsgelijk die alles nedervelt,
Ontziet, nog oud, nog jong, noch kracht, nog eer, nog geld
Dies zijn ze ons voorgegaan, waar ieder aan moet landen
Dit strekke ons tot troost, dit snoere steeds de banden
Die tussen U en ons, zoo innig nauw bestaan,
Kon dit nog noodig zijn, steeds meer en vaster aan.
Dat wij uw kindertal altijd gedachtig waren
Hoe spaarzaamheid en vlijt, zoo nu, als vroeger jaren
Gespaart met goed beleid, getrouw door u volbracht
Ons nu ten goede komt, uw kroost en nageslacht
Hoe dit ons gunstig lot, tot heden mocht bewerken
Mocht dit de liefde tot u door dankbaarheid versterken
Dat elk op zijne beurt, die dank bewijzen mag
En liefderijk verdraag’, het erf der oude dag
Mocht zoo nog lange tijd, uw avondzonnen schijnen
U, dat van onze kant, u dan geen druk doet kwijnen
En gij van uwer kant, zie dat gij ieder gunt
Dat gij met volle recht ook zelf verlangen kunt
Ziet gij ongaarne uw doen door anderen bedillen
Laat dan ook anderen vrij in laten, doen en willen
De weldoordachte raad vind vaak een goed gehoor
Maar dilzucht zonder doel, vind een gesloten oor.
En treffe u, wat kan, nog vele zware slagen
Zaagt gij nog menigeen der onzen grafwaarts dragen
O, sterk u in ’t geloof, hoe diep u dat bedroeft,
Gods wil is altijd wijs, hoe zwaar Hij mij beproeft,
De last mij opgelegd, wil ik gewillig dragen
Verzekerd in ’t geloof, Gog wil mij helpen schragen
Is dit geloof uw deel, dan zeker iedere smart,
Op aard u nog bereid, draagt gij verruimd van hart.
En werd het u vergund, tot aan uw laatste stonden
Ons allen nog te zien, zelfs aan uw stervesstonde
Dank dan door zooveel heil op aard u toegebracht,
En sla de blik daarheen, waar meerder heil u wacht
Waar Jezus henen ging, een plaats u te bereiden
En tot ontslapen vriend of gâ, of kroost moog’ leiden
Lang schijnt nog zoo ‘k hoop, uw avondzonnen zacht
En eens zo sluit ‘k mij wensch: Steeds meerder heil u wacht.
Aan mijn vader Arie Wit op zijn 70steverjaardag 23 Febr. 1877.
Dierbare vader, opgetogen
Vestig op u de oogen
Op deez’ heugelijken dag.
Wie ons van het heil voorzag
Dat ’t u heden is gegeven
Dat een tal van tien maal zeven
Jaren door u zijn beleefd
’t Geen stof tot blijdschap geeft
Want door tal van zegeningen
Zien wij dagelijks u omringe
Daar toch uwe ouderdom
Nog niet eens uw schoudren krom
Pas uw haren licht doet grijzen
En waar kunt gij al niet op wijzen
Wat aan jongeren goed zou staan
U voor jonger door doet gaan.
Wie toch heeft die rijen tanden
Zulk een maag en ingewanden
Zuivere longen, forsche stem
Heldere geest, vol kracht en klem
Sterke zenuwen en spieren
Die nog jongeren konden sieren
Vrij van reumatiek of jicht
Sterk en flink van aangezicht.
Beenen, armen, voeten, handen
Aangezicht, de keizen, tanden
Waaraan nauwlijks één ontbreekt
En waardoor gij helder spreekt
’t Reukorgaan, de oogen, ooren
Laten het ruiken, zien en horen
Alles, zoo men ’t wenschen kan
Aan een merkbaar jonger man
Beenen, die ’t lichaam schragen
Om een wandeling te verdragen
En nog wel hun diens verleên
Is die wandeling twee uur heen
Handen, armen nog tot werken
Juist geschikt, tot kracht versterken
Strekken bij volbrachte vlijt
Tot bekroting van uw tijd
En het binnenwerk, de veeren
Bron van ’s dokters practiceeren
Bij zoo menig zwak gestel
Bij u alles redelijk wel
Gal en lever, hart en nieren
Milt en longen, merg en spieren
De bloedsomloop en ook de maag
Alles even flink en graag
Van de goederen dezer aard
Wiens gemis vaak zorgen baarde
Doch wier overdadigheid
Vaak niet minder leed bereid
Werd u juist zooveel gegeven
Als in onbekommerd leven
Bij uw hoogst bescheiden eisch
Vordert op uw levensreis
O, geniet nog lang dien zegen
Op uw verderen levenswegen
Blijf nog lang voor leed gespaard
Opdat gij nog vaak verjaart
En kon het zijn, wij al te samen
Menigmaal nog tot u kwamen
Om ons wenschen u te biên
Als gij ons moogt vereenigd gezien.
|